Leven na kanker

Het is heel koud in de ruimte. Dit is een soort van voorkamer. Ze rijden me met bed en al de echte OK in. Daar zie ik dezelfde mensen weer. Met mondkapjes op en mutsjes op hun hoofd. En hun handen omhoog in handschoenen, steriel in de lucht, net als op de televisie. Het is zo koud. Ik heb kippenvel over mijn hele lijf. Terwijl ik op het bed zit, tekent de chirurg met een zwarte stift strepen op mijn linkerborst waar ze precies gaan snijden. De artsen ontwijken oogcontact. Dan moet mijn bril af en zie ik de witte jassen alleen nog maar wazig. Ik ga liggen – afgetekend. Ik voel me net slachtvee. En tegelijkertijd voel ik me stom dat ik zo dramatisch doe. Ik zeg maar niets, ik wil niet lastig zijn. Ze hebben het al zo druk hier.
‘Wakker worden’, hoor ik naast me. De verpleging loopt om mij heen en frutselt met snoeren die uit mijn lijf komen. Infuus, drains, katheter. Ik voel me suffig. ‘De operatie is goed gegaan hoor’, zegt iemand. Het besef daalt in dat ik mijn borst kwijt ben. Ik breng mijn hand naar het gebied waar die zat. Ik voel strakke huid – plat. ‘Wil je kijken?’ vraagt de verpleegster. Ja, ik wil wel kijken. Ze helpt me een beetje rechtop in bed. Bewegen doet pijn. Voorzichtig laat ik mijn blik naar beneden zakken. Het is zo schoon. Geen groot verband; gewoon een schoon litteken met blauwe plekken eromheen. Ik begin te huilen. ‘Meisje toch’, zegt de verpleegster, en ze aait me over mijn schouder.
Lees het gehele artikel in VNIG 1/26 vanaf pagina 24.

VNIG
Verzameling van artikelen van schrijvers die op niet-regelmatige basis voor ons schrijven.

